Rondreis

Noord-Noorwegen

Alle wegen die naar het noorden leiden komen wel langs Trondheim. Daarom heeft de stad als bijnaam De poort naar het noorden. Trondheim is de derde grootste stad van Noorwegen en heeft een minstens net zo boeiend verleden als Oslo en Bergen.

Midden in de stad ligt de torv, een groot plein, met in het midden een standbeeld van Olav Trygvasson, een vikingkoning die de stad 1002 jaar geleden heeft gesticht. De stad kreeg toen de naam Nidaros, genoemd naar het riviertje de Nidelv. Niet ver van het plein ligt de Stiftsgård, een groot houten huis, waar de koninklijke familie logeert tijdens haar verblijven in Trondheim. Aan de andere kant van het plein torent de Nidarosdom, een reusachtige kathedraal, boven de huizen uit. De dom is van de binnenkant en de buitenkant prachtig versierd met allerlei beelden van heiligen en andere historische figuren. De dom is eeuwenlang het religieuze middelpunt van Noorwegen geweest en heeft ook op wereldlijk gebied een belangrijke rol gespeeld. Volgens de traditie worden de troonopvlogers er nog steeds tot koning gekroond. De dom wordt geflankeerd door de Bispegård, een vierkante binnenplaats met daaromheen gerestaureerde kloostergebouwen waarin nu een aantal musea gehuisvest zijn. Eén ervan laat overblijfselen zien van de dom, die verloren waren gegaan bij de uitbreiding van de dom eeuwen geleden. Ook geeft het museum een beeld van het leven in de middeleeuwse stad. Een ander museum is het verzetsmuseum, dat een goed beeld geeft van de situatie waarin Noorwegen verkeerde tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De binnenstad ligt als het ware ingesloten in een lus van de Nidelv. Jarenlang was er maar één brug die toegang gaf tot de binnenstad. Die brug staat er nu nog steeds en als je erop staat heb je een mooi uitzicht op de fraai gekleurde huizen aan de rivier, die half in het water staan, gesteund door palen. Aan de andere kant van de brug kronkelen de straatjes zich langs een heuvel naar boven. Fietsers hoeven zich geen zorgen te maken, want speciaal voor hen is er een fietslift, de allereerste ter wereld, die je naar boven brengt zonder dat je hoeft af te stappen. Boven op de heuvel liggen de overblijfselen van een oude vesting. Als je daarop staat kun je over bijna de hele stad heen kijken.

Op het station van Trondheim kun je de trein nemen naar het noorden. De reis kost bijna een halve dag, maar er is onderweg zoveel te zien dat een halve dag eigenlijk veel te kort is. Het is net alsof de trein door een sprookjeslandschap rijdt, vol met brede en smalle dalen, die in de loop der jaren uitgegraven zijn door de rivieren, die tot op de dag van vandaag de weelderige flora van water voorzien. De rivieren worden gevoed door het water dat via watervallen van de eeuwig besneeuwde bergtoppen naar beneden ruist en zo nu en dan in een meertje tot rust komt. De afwisseling in het landschap is schitterend. Tegen het einde van de middag deelt het zonlicht mee in het schouwspel en zet een kleurrijk decor neer, met allerlei tinten rood, oranje, roze en paars, die spiegelen in het water. Zo nu en dan passeert de trein een dorpje, maar hoe verder je naar het noorden gaat, hoe zeldzamer de dorpjes worden en hoe kleiner ze zijn. Soms ligt er een fjord langs het spoor en als je goed kijkt, zie je aan het water allemaal kleine huisjes. Daarin bewaren de noren hun boten. Even later is de trein weer aan alle kanten omgeven door sneeuw. Ongeveer halverwege de reis toetert de machinist een paar keer. Links en rechts van het spoor staan twee kunstwerkjes in de vorm van een piramide, met daar bovenop een aardbolletje. Dat is het teken dat de trein de poolcirkel passeert. Het voelt even alsof je de bewoonde wereld nu definitief achter je gelaten hebt.

Totdat de trein opeens weer in een groen fjordlandschap duikt en stopt in Fauske en even later Bodø, het eindpunt. Bodø is een klein stadje, maar vervult een belangrijke dienstenfunctie voor een gebied dat bijna half zo groot is als Nederland. In de haven van Bodø ligt de boot naar de Lofoten al klaar. Als het helder weer is, kun je de eilanden in de verte al zien liggen. De boot doet er vier uur over om je daar te brengen. Ook de bootreis is er een die je niet snel zult vergeten. Als de boot eenmaal de haven uit is gedraait en zich op open water bevindt, is het net alsof je omringd bent door een cirkel van bergen. Aan alle kanten rijzen besneeuwde bergtoppen op. Aan de ene kant liggen die op het Scandinavische vasteland en aan de andere kant op de Lofoten en de Vesterålen. Langzaamaan komen de Lofoten dichterbij...

De Lofoten en de Vesterålen zijn twee eilandengroepen met een geschiedenis waarin de visserij een centrale rol speelt. Vroeg in het voorjaar zwemmen er talloze scholen vis tussen de eilanden door, klaar om gevangen te worden door de vissers. Veel van de vissen worden daarna gedroogd op houten stellages en belanden uiteindelijk overal ter wereld als stokvis, een echte lekkernij, op de borden van de fijnproevers. De vissers verdienden er goed mee, maar tegenwoordig brengt het toerisme minstens evenveel geld in het laatje.

Uiteindelijk legt de boot aan in Moskenes, één van de vele vissersdorpjes die op de Lofoten te vinden zijn. Achter het dorp rijzen rotsige bergen steil omhoog. Ze zijn spaarzaam begroeid met plantjes met kleine bloemen in allerlei kleuren en vormen. Op de toppen ligt nog sneeuw. Aan de voet van de bergen speelt het dagelijks leven zich af. Een weg verbindt de vissersdorpjes via tientallen bruggen met het vasteland, bijna vierhonderd kilometer verder. Moskenes is niet het meest afgelegen vissersdorpje op de Lofoten. De weg loopt ook nog een stukje de andere kant op. Een wandeling van Moskenes naar het einde van de weg is erg de moeite waard! Onderweg kom je nog enkele kleine dorpjes tegen.

Het laatste dorpje is Å. Het is een typisch klein vissersdorpje, waarvan bijna de helft van alle huizen deel uit maakt van het visserijdorpmuseum. Het is een levend(ig) museum. De opslagplaatsen, de smidse, het boothuis, de bakkerij en vele andere huisjes zijn nog steeds als zodanig in gebruik. Ook zijn er een aantal woonhuizen opgenomen in het museum. In een aantal daarvan kun je tegenwoordig goedkoop overnachten. Dat is een hele ervaring!

Een ander museum in Å is het stokvismuseum. Daarin wordt getoond hoe vissen worden bewerkt tot stokvis, gedroogde vis. Bij dat proces komt heel wat kijken. In het museum zijn allerlei soorten gereedschap tentoongesteld en het is aan het einde mogelijk om een hapje te proeven.

Achter Å houdt de bewoonde wereld op. De woeste bergen van de Lofoten maken plaats voor de Atlantische Oceaan. Het oceaanwater bewerkt het gesteente als een ervaren kunstenaar in zeer uiteenlopende vormen. Dit water heeft al eeuwenlang gezorgd voor het levensonderhoud van de bewoners van de eilanden. De bergen boden beschutting en bovendien een mooi uitzicht op de dorpjes! Heel in verte liggen nog twee verdwaalde eilandjes. Maar die worden vooral bewoond door papegaaiduikers.

Met de bus kun je van Å naar het vasteland, naar Narvik. Dat duurt bijna een hele dag en af en toe moet je overstappen. De bus rijdt van dorpje naar dorpje, met aan de ene kant het helderblauwe water en aan de andere kant de grijsgroene bergen met frisgroene bergweides, overdekt met een kleurig bloemenboeket en houten stellingen om de vis in het voorjaar op te drogen. De eilandbewoners vertellen steeds weer vol trots hoeveel stellages er op de Lofoten te vinden zijn. En dat zijn er heel wat!

De eilanden die enkele jaren geleden alleen nog per boot bereikbaar waren, zijn nu als een ketting aaneengebonden door een reeks van bruggen. Via de bruggen hopt de bus van het ene eiland naar het andere. Eén keer moet toch nog de pont genomen worden. De pont vaart tussen de Lofoten en de Vesterålen, een andere eilandengroep, die iets minder woest overkomt dan de Lofoten. Ook hier is het landschap weer overweldigend. De bus rijdt als het ware door een schilderij. Nog steeds liggen overal vissersdorpjes met prachtig gekleurde huisjes, verscholen aan het einde van een kleine baai, waarin de vissersboten wachten op hun volgende reis.

Tenslotte arriveert de bus in Narvik, net als Bodø een belangrijke plaats voor de regio. Het is niet echt een mooi stadje, maar wel levendig. Narvik ligt aan de voet van een berg. Met een kabelbaan kun je naar boven, naar de sneeuwgrens. In de zomer kun je daar zelfs van een gletsjeruitloper af glijden. Aan je voeten ligt Narvik, gehuld in een cirkel van donkerblauw water en een dunne cirkel van besneeuwde bergen. Het parcours dat de bus heeft afgelegd is, als je goed kijkt, nog zichtbaar.

Narvik is de noordelijkste plaats die je met de trein kunt bereiken. Een enkel spoor leidt naar Zweden. Als je maar lang genoeg doorreist, kom je uiteindelijk in Stockholm. Maar dat ligt nog zoveel kilometer verder... Een wegwijzer in de stad geeft aan dat de Noordpool nog iets meer dan 2.400 kilometer verwijderd ligt. Een pijl in de andere richting geeft ruim 1.500 kilometer aan naar Oslo. Eigenlijk is de Noordpool nu niet eens zo gek ver meer!

De trein wacht. Er is nog veel meer te zien en te beleven in het noorden. Even later ligt er aan de andere kant van het treinraampje een fjord. Langzaam slingert de trein omhoog, de sneeuw in... Het eerstvolgende station heet Riksgrensen. Hoe zou de volgende heten?

terug naar Zuid-Noorwegen vervolg van de rondreis